sorteer op

filteren op

1825

1823

In 1823, zes jaar na het Koninklijk Besluit betreffende de Teekenscholen, wordt in Maastricht een eigen Stadsteekenschool opgericht. De vertraging kan te maken hebben gehad met het feit, dat de school door de Gemeente bekostigd moest worden, ook is er sprake van zekere weerstand in heel het land tegen standaardisering van het tekenonderwijs, dat voorheen door privéleraren dan wel genootschappen verzorgd werd. In dit onderwijs worden naast de ‘schoone kunsten’ aandacht besteed aan de ‘nuttige kunsten’. De leerlingen ontvangen na afloop, bij gunstige beoordeling, een zilveren medaille, waartoe de school telkens bij de overheid een aanvraag indient. Het aantal leerlingen is aanzienlijk groot en reikt in sommige jaren tot ruim boven de 100. In de meeste gevallen gaat het om kinderen, soms al vanaf 8 jaar oud. Over het aantal lesuren en het exacte curriculum heerst nog onduidelijkheid. Tot directeur-tekenmeester wordt benoemd Pierre Lipkens, die in zijn stad al aan huis een praktijk als tekenleraar had en daarbij een eigen collectie gipsafgietsels gebruikte. Deze collectie vormt de basis van de huidige gipsotheek.

In het Bestuur zit onder anderen de zeer gerespecteerde bouwmeester Mathias Soiron. Waar de eerste Stadsteekenschool gevestigd is nu niet duidelijk. De locatie wisselt in de loop der jaren. In de loop van de 19de eeuw is de vml. Augustijnenkerk – d’n Awwestiene - aan de huidige Kesselskade, de meest gebruikte ruimte.

In de archieven van het jaar 1823 wordt wel gewag gemaakt van het aanbrengen van gewenst vallicht in de behuizing van de Stadsteekenschool, wat stuit op een conflict met Soirons opvolger Hermans. Laatstgenoemde vindt vergroting van het bestaande venster voldoende en krijgt daarbij gelijk van het Gemeentebestuur, dat alles sowieso te duur vindt. Soiron moet later zelfs vaststellen, dat het venster niet waterpas staat en bovendien niet met drie voet maar slechts met twee duim is vergroot.

Wanneer in juli 1826 Lipkens via zijn arts het Bestuur inlicht over zijn afnemende gezondheid en in de maand erna overlijdt, wordt de meest gevorderde leerling benoemd tot plaatsvervangend tekenmeester. Théodore Schaepkens is dan 16 jaar oud en geeft vanaf dat moment enkele maanden les aan zijn 11-jarige broer Alexander.

In: J.Blonden, Pag. 8 :

“Het K. B. van 13 April 1817 betreffende de teekenscholen kwam niet overal tot zijn recht, naar het schijnt. „Het meerendeel dier scholen heeft eene te uitsluitende strekking tot de schoone kunsten,

met verwaarloozing min of meer van de nuttige kunsten, zoodat die scholen, bij de opleiding van aankomende handwerkslieden dat nut niet stichten, hetwelk bij een meer doelmatige inrichting kon

verwacht worden”. Aldus ineen nieuw K. B. van 10 Oct. 1829, waaraan een hoogstbelangrijk „Plan voor de inrichting van het onderwijs op de teekenscholen” is toegevoegd.

Volgens dat Plan zal het onderwijs inde nuttige kunsten omvatten: 1. Het teekenen van voorwerpen behoorende tot de bouwkunde, of van samengestelde werktuigen. 2. Lessen over de beginselen der beschrijvende meetkunde en samenstelling der daartoe behoorende teekeningen. Dit onderwijs zal vergezeld dienen te gaan van inlichtingen of lessen over de constructie, bij monde gegeven.

Schoone kunsten: Het teekenen van het menschelijk lichaam, naar beelden, en eindelijk naar het leven, met zoodanige bijkomende lessen als de aard der inrichting zal medebrengen.

Voortaan kunnen 2 medailles worden aangevraagd, de een voor de nuttige, de andere voor de schoone kunsten. In het verslag over 1829 vroeg men dan ook 2 medailles, de een voor de beste architectonische lijnteekening en de tweede voor de beste teekening naar gips of pleister.”

Maastricht Institute of Arts