sorteer op

filteren op

1940

1940 – 1944

Nadat in 1926 het Tekeninstituut is vervangen door de Middelbare Kunstnijverheidsschool (een en ander als gevolg van een regeringsbesluit), waarbij Graafland het veld heeft geruimd voor een van zijn leerlingen, Jos Postmès, krijgt de Limburgse School invloed op het beeldende kunstonderwijs. Leraren als de succesvolle schilder Henri Jonas en beeldhouwer Charles Vos leggen een stempel op hun navolgers, onder wie enkelen ook naar Amsterdam gestuurd worden. De band met de Rijksacademie is zeker ‘warm’ te noemen.

In 1939 zorgt directeur Jef Scheffers – een van de Limburgse School-schilders en opvolger van de jong overleden Postmes – ervoor dat de dan 19-jarige Ger Lataster al na twee jaar studie in Amsterdam mag gaan studeren. De professoren aan de Rijks zijn echter niet meer Derkinderen of Roland Holst, maar een schilder, die met boerentaferelen enige naam had gemaakt. Lataster, die zijn lessen saai vindt, komt geregeld terug naar Heerlen. Scheffers, die zelf een rang in het leger heeft en met zijn attitude van ‘respectabel hoofd der school’ een zeker maatschappelijk respect geniet, zorgt ervoor dat bepaalde jonge talenten zoals Frans Slijpen, alvast op de Rijks worden ingeschreven of op andere wijze even ‘uit de administratie worden verwijderd’, om hun de Arbeitseinsatz te besparen. De zeer getalenteerde tekenaar en na de oorlog uiterst populaire dandy Frans Vos, zoon van een vooraanstaande NSB-er, bij wie Anton Mussert af en toe op bezoek kwam, werd ook beschermd, maar dan tegen de foute reputatie van zijn ouders. Frans Vos en beeldhouwer Rob Stultiens waren erg bevriend en voerden geregeld kattekwaad uit in en rond de kapitale villa aan de Prins-Bisschopssingel. Vos bleef in Maastricht, net als Stultiens en anderen. Weer anderen, onder wie Jef Diederen en Pieter Defesche hadden al de weg gekozen naar Amsterdam. En er zouden nog weer anderen volgen, zoals Marianne van der Heijden en Lei Molin.

Maastricht Institute of Arts